OM TE JANKEN ZO MOOI

 

 

Ach zie de lammeren nou toch lurken

Aan hun vers geschoren moeders

En hoe de jonge zwanen

Donzen in de zachte sloot

En hoe de zwoele wind de wolken waait

Tot pas gewassen luchten

Kan iets mooier dan het mooi is

Kan iets groter zijn dan groot

 

En voel de hosta nou toch lonken

Haar knoppen staan op barsten

Het nieuwe riet drinkt gulzig

Water uit de smalle vaart

Kan iets frisser dan het fris is

Wulpser dan het wulpste

 

Ach ik ben goddank dus nog ‘n keer

Een jonge lente waard

 

Dit is zo mooi

‘t Is om te janken zo mooi

Mooi, om te janken zo mooi

 

En zie die irissen nou toch pronken

Met hun stampers als koralen

Een varen rolt haar blaren

Als een leguanentong

En zie de veulens nou toch wank’len

En de vogels naar hun nesten

Kan iets verser dan het vers is

Kan iets jonger zijn dan jong

 

Zie hoe de zon een scherpe schaduw trekt

Onder de wijde wilgen

De puppies rennen rondjes

Bijtend naar hun eigen staart

Kan het leuker dan het leuk is

Jeugdiger dan jeugdig

 

Ach ik ben goddank dus nog ‘n keer

Een jonge lente waard

 

O! Dit is zo mooi

‘t Is om te janken zo mooi

Mooi! Om te janken zo mooi

 

En nu de wingerd zich wellustig

En het onkruid onbezonnen

En ik mezelf aftel

Van volwassen naar bejaard

Wordt het groener dan het groen was

Nu ik grijzer dan ik grijs ben

 

Ach ik ben goddank dus nog ‘n keer

Een jonge lente waard

 

O! Dit is zo mooi

‘t Is om te janken zo mooi

Mooi! Om te janken zo mooi

 

En als vannacht een open hemel

De sterren strak laat stralen

En ik buiten op mijn rug lig

Starend naar het firmament

Kan het stiller dan het stil is

Eeuwiger dan eeuwig

Dan ben ik goddank dus nog een keer

Gevangen in ‘t moment

 

O! Want dit is zo mooi

‘t Is om te janken zo mooi

Mooi! om te janken zo mooi

Mooi! om te janken zo mooi

Mooi!

Om te janken zo mooi…

 

 

Maarten van Roozendaal was een heftig mens. Hij schreef heftige muziek op heftige teksten, hij ranselde zijn piano

en wrong de klanken uit zijn strot. Een goed voorbeeld daarvan is 'Mooi'. Een prachtig lied, zoals de titel al zegt.

 

Er vallen - ten minste - twee dingen aan op. Het bevat vergelijkingen die je in andere Nederlandstalige teksten

niet snel zult tegenkomen, metaforen met een barokke zeggingskracht. In het land van 'Annie, hou jij me tassie effe vast'

en 'Busje komt zo' zijn regels als

 

"zie die irissen nou toch pronken

met hun stampers als koralen"

 

of, meteen daaropvolgend,

 

"een varen rolt haar blaren

als een leguanentong"

 

pure poëzie.

 

Het tweede punt is het procedé om zinnen niet af te maken, waardoor de tekst wat gecondenseerd wordt. Het heet niet

voor niets 'dichten'. Op

 

"En zie de veulens nou toch wank’len

En de vogels naar hun nesten"

 

volgt niets, behalve de refreinregels. Zo ook op

 

"En nu de wingerd zich wellustig

en het onkruid onbezonnen".

 

Het biedt de luisteraar of lezer even tijd om geestelijk adem te halen.