Matroos Havenloos

 

 

Johnny was zeeman zonder haven,

hij had het land aan mens en steen.

Hij was een man van weinig gaven,

maar groter hart had er geen een.

Hij was het mikpunt van de maten.

Ging er iets mis, trof hem de blaam,

draaide hij in zijn hut de platen

van haar die kon zingen zonder naam.

 

Uit volle borst, hoewel geen zanger,

zong Johnny tweede stem als bas.

Toen hoorde hij op weg naar Tanger,

dat zijn idool gestorven was.

Hij werd verlamd door levensvragen,

meldde zich ziek met slappe smoes.

Hij kon haar stem niet meer verdragen

en liet haar platen in de hoes.

 

De zee had haar magie verloren,

hij staarde landwaarts, uur na uur.

Zijn ogen zochten naar de toren,

die de nacht verlichtte met zijn vuur.

 

Zijn onrust kwam pas tot bedaren,

eenmaal aan wal, wankel ter been.

En na een leven van gevaren

zocht hij haar graf van steen tot steen.

Zo bleef hij zwerven langs de graven,

monotoon en monogaam.

Johnny de zeeman zonder haven,

die een zerk zocht zonder naam.

 

 

Na het overlijden van Lennaert Nijgh, in 2002, was Boudewijn de Groot

voor tekstmateriaal aangewezen op andere bronnen. Tot min of meer

vaste leveranciers horen nu Jan Rot en Freek de  Jonge. De laatste schreef

onder meer ‘De vondeling van Ameland’ en ‘Eeuwige jeugd’.

 

Minder bekend werd het juweeltje ‘Matroos Havenloos’. Om te beginnen

valt op – beter gezegd: valt níet op – het subtiele spel met namen.

Hoewel duidelijk is, dat het gaat over de Zangeres zonder Naam,

wordt zij nergens in de tekst bij naam genoemd. Volstaan wordt met

‘haar die kon zingen zonder naam’. Dat de hoofdpersoon Johnny heet,

is geen toeval; dat hij ‘haar platen in de hoes’ laat, is een toespeling

op Johnny Hoes, de man die haar ontdekte, haar platen produceerde

en veel van haar nummers schreef.

 

Ook de vorm van het lied is interessant. Het is een fraai voorbeeld van

slang-bijt-in-eigen-staart: het begint met een zangeres zonder naam en eindigt,

na haar overlijden, met een zoektocht naar een zerk zonder naam. Een slotregel

die mooi teruggrijpt naar het begin.

 

Ten slotte: meteen al de eerste woorden – ‘Johnny was zeeman zonder haven’ -

roepen de associatie op met een haveloos ventje, dat treurige hoofdpersoontje

uit ‘’t Broekie van Jantje’, een smartlap van Koos Speenhoff uit 1904:

 

“Er was eens 'n haveloos ventje

Die vroeg an z'n moeder 'n broek

Maar moeder verdiende geen centje

En vader was wekenlang zoek”

 

dat, evenals bij Freek de Jonge, eindigt op een begraafplaats:

 

“Toen Jantje haar mee ging begraven

Toen had ie zijn broekie pas an...”

 

En zette de Zangeres zonder Naam dat nummer niet al in 1965 op de plaat?

 

Dit korte lied van Freek de Jonge zit hechter in elkaar dan je bij eerste lezing zou vermoeden.

 

 

N.B.  In 2010 publiceerden Ben Holthuis en Frank Wouters een boek over de laatste jaren van

Mary Servaes, zoals haar naam was. De titel? "Sterven Zonder Naam".