ZEG ME DAT HET NIET ZO IS

 

 

Zeg me dat het niet zo is

Zeg me dat het niet zo is

Zeg me dat het niet waar is

 

Ga je mee vanavond naar ons lievelingsrestaurant

Een tafel voor twee

Ik heb gebeld, ze weten ervan

En we drinken totdat de zon opkomt

En we vergeten

De oneerlijkheid van het lot

 

Zeg me dat het niet zo is

Zeg me dat het niet zo is

Zeg me dat het niet waar is

 

Kom we gaan, trek je jas aan

Anders wordt het te laat

Kom eens hier

Ik houd je vast

Ik laat je nooit meer gaan

En ik vertel je een grap die je laat huilen van de lach

En we vergeten

De blikken van de mensen in de stad

 

We doen net alsof het niet zo is

Alsof het niet zo is

Alsof het niet waar is

 

We doen net alsof ze gewoon verder leeft

Alsof ze gewoon verder leeft

 

Zelfs als het niet zo is

 

 

 

Bij een kunstobject, bijvoorbeeld een gedicht, heb je het al gauw over de vorm en de inhoud. Als we de tekst van “het betere lied” ook als poëzie beschouwen en daar zijn argumenten voor, kun je over de vorm van Frank Boeijens “Zeg me dat het niet zo is” het een en ander opmerken.

Om te beginnen bestaan de refreinen uit steeds dezelfde of bijna dezelfde regels, wat ze een onontkoombare indringendheid geeft. En de coupletten lijken geschreven in een soort parlando.

Maar vooral valt op dat de tekst van die coupletten niet rijmt. Althans, niet met eindrijm. Althans, niet in de gangbare, traditionele zin. Maar op subtiele wijze intensiveert Boeijen de samenhang van zijn tekst door te werken met assonantie, klinkerrijm.

Zo rijmt ‘lievelingsrestaurant’- qua assonantie – op  ‘ervan’, en ‘mee’ op  ‘twee’, ‘weten’ en ‘vergeten’. De a-klank komt terug in ‘ga’, ‘vanavond’, ‘naar’ en ‘tafel’, en de o klinkt zelfs vijfmaal helder op: ‘totdat’, ‘zon’, ‘opkomt’, ‘oneerlijkheid' en ‘lot’.

En dan hebben we het alleen nog maar over het eerste couplet. In het tweede doet hij hetzelfde, met onder meer ‘kom’, ‘wordt’ en ‘kom’, vijf keer met ‘gaan’, ‘aan’, ‘laat’, ‘laat’ en ‘gaan’, en zelfs zesvoudig met ‘jas’, ‘anders’, ‘vast’, grap’, ‘lach’ en ‘stad’. Zoals al gezegd, rijm vergroot de hechtheid, de verdichting van het vers, ook als het geen eindrijm is in de beperkte betekenis van het begrip.

Maar ook inhoudelijk valt er wel wat waar te nemen. In het stukje over Maaike Ouboters “Dat ik je mis” wierp ik de vraag op of het van invloed is op je waardering van een tekst - en zo ja, hoe veel – als privé-informatie de achtergrond van die tekst verrijkt. In het geval van Maaike Ouboter is dat een tekst die van begin tot einde lijkt te gaan over een geëindigde liefde. Pas in een interview lichtte zij toe, dat het haar overleden moeder betreft.

In “Zeg me dat het niet zo is” ligt dat anders. Ook hier lijkt het een dialoog – eigenlijk is het slechts een monoloog – tussen twee geliefden. De laatste twee regels maken echter duidelijk dat de spreker of zanger zich richt tot een overledene - en niet eens per se een overleden geliefde -, ook al wordt er al iets aangekondigd in de omineuze regel “En we vergeten/De oneerlijkheid van het lot”. Boeijen treedt daarmee in de traditie van de monologue morbide. Te denken valt aan het verhaal “Ligeia” van Edgar Allan Poe. Een voorbeeld uit de popmuziek is Cat Stevens’ “Lady d’Arbanville” uit 1970, met de alleszeggende regel Why do you sleep so still?

Maar nog steeds resteert de vraag naar de invloed van externe gegevens. Vergroten die het begrip van de tekst, verscherpen ze beelden, voel je iets anders bij het horen? Dat zal voor iedere luisteraar of lezer bij iedere tekst verschillen. Feit blijft, dat er voor iedereen maar één éérste lees- of luisterervaring is, en dat na die eerste keer de slotregels nooit meer zó zullen binnenkomen.